wie neemt hier eigenlijk verantwoordelijkheid?
Ingezonden: Pauline Hurkmans
Het is een paar dagen winters in Nederland. Sneeuw zoals we die al jaren niet hebben gezien. Kinderen spelen buiten, de dooi zet in, hoofdwegen zijn schoon. Mensen gaan naar hun werk, auto’s rijden, het dagelijks leven functioneert grotendeels normaal.
En toch gebeurt het telkens weer: het zorgvervoer voor kinderen wordt stilgelegd. Geen dagbesteding. Geen school. Geen structuur. Na twee weken vakantie krijgen ouders opnieuw te horen dat zij “zelf een oplossing moeten regelen”.
De kernvraag is niet of veiligheid belangrijk is — dat is vanzelfsprekend. De vraag is wie bepaalt wat veilig is, op basis waarvan, en met welke gevolgen.
Geen landelijke norm, wel grote impact
Zorgvervoer is in Nederland gedecentraliseerd georganiseerd. Gemeenten zijn opdrachtgever, vervoerders uitvoerder. Juridisch mogen gemeenten besluiten om vervoer bij winterse omstandigheden stil te leggen. Tegelijk bestaat er geen landelijke wet of uniforme richtlijn die vastlegt wanneer zorgvervoer wel of niet doorgaat bij sneeuw of gladheid. Iedere gemeente maakt haar eigen afweging.
Dat leidt tot willekeur. In de ene regio rijden taxi’s door, in de andere blijven kinderen thuis — terwijl de weers- en verkeerssituatie vergelijkbaar is. Besluiten worden vaak genomen zonder transparante criteria en zonder dat ouders kunnen zien welke risico’s precies zijn afgewogen. Dat is bestuurlijk toegestaan, maar maatschappelijk moeilijk te verdedigen.
Bevoegdheid zonder praktijkkennis
Wat wringt, is dat deze besluiten meestal worden genomen door beleidsmakers en planners, niet door de mensen met operationele expertise. Chauffeurs en vervoersbedrijven maken dagelijks kilometers, kennen hun routes, beoordelen hun voertuigen en ervaren de weersomstandigheden in de praktijk. In veel gevallen geven zij aan dat rijden verantwoord is: met aangepaste snelheid, extra reistijd en geschikt materieel.
Toch wordt die professionele inschatting regelmatig terzijde geschoven. Niet omdat er aantoonbaar sprake is van onveilige situaties, maar omdat bestuurders geen risico willen lopen. Daarmee ontstaat een fundamenteel probleem: de partij met de minste praktijkkennis neemt het meest ingrijpende besluit.
Inconsistent en slecht uitlegbaar beleid
De inconsistentie maakt het beleid nog problematischer. Het komt voor dat volwassen cliënten wel worden vervoerd, terwijl jeugdvervoer wordt stilgelegd. Een twintigjarige cliënt wordt opgehaald, terwijl kinderen op vrijwel dezelfde route thuis moeten blijven. Er is geen medische of verkeerskundige onderbouwing voor dat onderscheid — alleen beleidsmatige voorzichtigheid.
Dat roept een terechte vraag op: gaat dit nog over veiligheid, of vooral over aansprakelijkheid en risicomijding?
De maatschappelijke schade blijft buiten beeld
Wat structureel ontbreekt in deze besluiten, is een serieuze afweging van de maatschappelijke gevolgen. Zorgkinderen kunnen niet “even een dagje thuisblijven”. Meerdere dagen zonder dagbesteding betekent verlies van structuur, begeleiding en sociaal contact. Voor veel kinderen is dat sociaal en emotioneel schadelijk.
Voor ouders betekent het acute stress, werkverzuim en onmogelijke keuzes. Zorgkinderen kunnen niet zelfstandig thuisblijven, en ook als dat praktisch zou kunnen, is het niet wenselijk. Meerdere dagen zonder toezicht of aanspraak doet meer kapot dan het voorkomt.
Deze gevolgen zijn voorspelbaar, maar worden nauwelijks expliciet meegewogen in de besluitvorming.
Bestuurlijke risicomijding als systeemfout
Dit is geen incident, maar een structureel probleem. Nederland heeft een bestuurscultuur ontwikkeld waarin niet handelenveiliger voelt dan verantwoord handelen. Bij onzekerheid wordt het meest restrictieve scenario gekozen — niet omdat het proportioneel is, maar omdat het bestuurlijk het minste risico oplevert.
De prijs daarvan wordt betaald door gezinnen die afhankelijk zijn van zorgvervoer. Zij dragen de gevolgen van besluiten waar zij geen invloed op hebben, genomen uit voorzorg in plaats van op basis van expertise en proportionaliteit.
Tijd voor landelijke kaders
De oplossing ligt niet in volledige centralisatie, maar in landelijke kaders die willekeur beperken. Denk aan:
-
objectieve criteria voor het stilleggen van zorgvervoer, gebaseerd op KNMI-waarschuwingen, wegdektemperatuur en feitelijke verkeerssituatie;
-
verplichte betrokkenheid van vervoerders en chauffeurs bij de risico-inschatting;
-
transparantie: besluiten moeten uitlegbaar en toetsbaar zijn;
-
gelijke behandeling van doelgroepen, tenzij afwijkingen inhoudelijk worden gemotiveerd.
Dat vraagt geen nieuwe wet, maar wel politieke regie en bestuurlijke moed.
De vraag die niet langer kan worden ontweken
De discussie die gevoerd moet worden is helder en ongemakkelijk:
willen we dat besluiten met grote sociale impact worden genomen door beleidsmakers op afstand, of door mensen met inhoudelijke expertise, binnen duidelijke landelijke kaders?
Zolang die vraag onbeantwoord blijft, blijft het patroon hetzelfde: bij de eerste sneeuwvlok vallen niet de wegen stil, maar de levens van kwetsbare kinderen en hun gezinnen.
En dat is geen natuurverschijnsel. Dat is een politieke keuze.
Reactie plaatsen
Reacties